William Bronk

HET MASKER DAT DE DRAGER VAN HET MASKER DRAAGT

Ja, kijk naar mij; ik ben het masker dat het draagt,
alsook dat wat zich binnen het masker bevindt.
Niets ongemaskerd dan dit. Dit ieder masker.

Het masker valt weg en niets gaat verloren.
Er is enkel de maskermens, de zelfbewuste,
de enkel bewuste, bewust van enkel het zelf.

Wakker, droomt het: is ieder personage;
is altijd meer; is nooit enkel dat.
Het overweegt; toetst elk vormenmasker.

Elk is niets. Elk is niet wat is.
Maar dat het moet zijn. Dat het moet lijken te zijn.
Dat het niet meer is dan dit, en toch er moet zijn.

En dat het oog heeft voor alles, gunnend oogt,
liefdevol oogt, langdurig oog heeft, voor wat er is.


The Mask the Wearer of the Mask Wears

Yes, look at me; I am the mask it wears,
as much am that which is within the mask.
Nothing not mask but that. That every mask.

The mask will fall away and nothing lost.
There is only the mask-wearer, the self-aware,
the only aware, aware of only the self.

Awake, it dreams: is every character;
is always more; is never only that.
It contemplates; tries any mask of shape.

Any is nothing. Any is not what is.
But that it should be. That it should seem to be.
That it be no more than that, and yet should be
.

And that it turn to look, look favorably,
look lovingly, look long, on what there is.

Bron:
Weinfield, Henry: The Music of Thought in the Poetry of George Oppen and William Bronk. Iowa 2009, p. 143

◄║►