Falend een nieuwe wereld te ontwerpen

Als je het een falen wilt noemen, is het de geest
lijkt me, die faalt, maar wat een woord. Hij faalt
door te slagen. Een slinkse triomf. De geest bespiedt
zichzelf en ziet zijn schuilhoeken,
zijn veinzing en vermomming, zijn kwetsbare kant.
Hij verslaat zichzelf steevast bij boter-kaas-en-eieren.
Echt waar, hij wint niet. De kracht van de geest
is slechts dat de geest het beter weet. En altijd weer.
De geest wéét dat dit de maakbare wereld is.
Maar in het hart leeft hoop. Wil je dit het hart noemen?
Onverzadigd verlangen. De visies die het waarneemt
– nog neemt het visies waar – zijn niet tweeslachtig als de geest
(of gewogen en weggezet) maar eenpuntig. En wat
als die visies, in vele gevallen, contouren krijgen
van menselijke vorm, een deel ervan, een been
wellicht, een paar ogen? Wat visie zeker weet te zien
is een geheel nieuwe wereld, een verregaand betere,
of volmaakte, in de vorm van verlangen. Het hart gelooft,
en komt weer terug en gelooft opnieuw; het moet geloven
zolang verlangen heerst. Indien verdwenen, dooft de bedoeling.
Zou het danhet hart kunnen zijn, als je dit het hart wilt noemen
waar de geest van leert verder te kijken dan het zichtbare, achterom
te kijken, te doen wat het hart nooit zou kunnen
zelf, niet te geloven in visies, niet te geloven?

Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk – reeks

◄║►

Het masker dat de drager van het masker draagt

Ja, kijk naar mij; ik ben het masker dat het draagt,
alsook dat wat zich binnen het masker bevindt.
Niets ongemaskerd dan dit. Dit ieder masker.

Het masker valt weg en niets gaat verloren.
Er is enkel de maskermens, de zelfbewuste,
de enkel bewuste, bewust van enkel het zelf.

Wakker, droomt het: is ieder personage;
is altijd meer; is nooit enkel dat.
Het overweegt; toetst elk vormenmasker.

Elk is niets. Elk is niet wat is.
Maar dat het moet zijn. Dat het moet lijken te zijn.
Dat het niet meer is dan dit, en toch er moet zijn.

En dat het oog heeft voor alles, gunnend oogt,
liefdevol oogt, langdurig oog heeft, voor wat er is.


The Mask the Wearer of the Mask Wears

Yes, look at me; I am the mask it wears,
as much am that which is within the mask.
Nothing not mask but that. That every mask.

The mask will fall away and nothing lost.
There is only the mask-wearer, the self-aware,
the only aware, aware of only the self.

Awake, it dreams: is every character;
is always more; is never only that.
It contemplates; tries any mask of shape.

Any is nothing. Any is not what is.
But that it should be. That it should seem to be.
That it be no more than that, and yet should be
.

And that it turn to look, look favorably,
look lovingly, look long, on what there is.

Gedicht van William Bronk
Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: William Bronk – reeks

Origineel in:
Weinfield, Henry: The Music of Thought in the Poetry of George Oppen and William Bronk. Iowa 2009, p. 143

◄║►

Briefje

De dood is overvloed
ruimte om te dwarrelen
gedragen maar lichtjes
te landen op schouders die
lijden aan huidhars

ogen ontheemd en
handen versleten voor
aankomst al vallen stil
de voeten van vermoeid
starende pelgrims

drijf jouw hart door
bloedbanen van beleving
naar een enkele druppel
waarheid toe te dienen
waar verdwazing kleeft

wij doden ons zorgsgewijs
en onzeker elkaar belastend
door vreugdeloos te vergeten
hoe vitaal ons doorstroomt
oudste kloppendheid

laat de wereld van wrakhout
jou serveren een edeler vlot
zodat kanalen gaan vonken
diep en hoog van vurige volheid
cultuurdwang kalmerend

wie materie teelt ontmoet
destructie dus vier
jouw voorraad vorstengoud
voldoende om te bevruchten
je woeste bodembron.

Uit de reeks: oersteen/bebodemd
Opgenomen in de audio-serie Vuurvocht

◄║►

Herberg

Neem plaats in kleurrijk dienstverband
en koester niet langer klein contrast,
schenk juist dit hoogst ongrijpbaar bestaan
aan wat jij ten diepste verlangt

de ochtendpoort moge jou openen
een grenzeloos terrein, stralend
van vredig verbonden beleven
hoe elementaire goedheid heerst

welkom in herberg de Juwelenhaard
waar men wijsheid serveert en gemoedsrust:
hartige gerechten naar keuze
voor elke denkbaar grimmige tocht

het traject intussen dat achter je ligt
zal nauwelijks nog herkenbaar zijn,
we hebben onszelf als weefselwezens
nu eenmaal gebrekkig afgesteld

zelden maken vlokjes vlees
duurzaam connectie met innerlijkheid,
dus hoe betrouwbaar is hun zicht
op het nut van het vele profane

wakend berooft ons het vormenspel
van nuchtere greep op dwarrelende zinnen,
terwijl ‘s nachts venster na venster
zich opent en zie: je verdwijnt

hoe koerst men dan tussen licht en donker
naar de vanouds aanwezige oever
waar ook mijn leraar verzadigd
door oceanische adem thuiskwam

loslaten leert me de kracht waarderen
die aldoor pulseert en nergens op leunt;
toelaten schenkt ons de levende context
die nergens nog lekt of aanvult

voorheen weigerde ik vrienden zelfs
in mijn particuliere koestermoeras,
maar sinds ik graf en geboorte verliet
neemt Mara er steevast een kijkje

dan groeten we elkaar en glimlachen,
wetend van Boeddha’s sublieme gebaar;
soms geeft hij advies of hoor ik suggestie
en dan dank ik zo’n godheid van harte

want wie heeft méér baat bij ontwaken
dan dit ongeschoold haperschaap:
wie is er niet die mij intiemer nog leert
de synchrone taal van bedoeling

kom dus, neem plaats in je zetel,
dit is het verhaal van de grote kwestie
en van een reis die stilaan ons tovert
tot dansende berg van beleving.

Uit de reeks: dharmium/wiswerk
Opgenomen in de audio-serie Vuurvocht

◄║►

Evaluatie (W. Bronk)

foto van william bronk
William Bronk (1918-1999)

“Levensbevestigend,” zegt hij, als zou het leven
wachten op onze goedkeuring. Het leven leeft
ons leven; mocht het willekeurig lijken
dan is dit omdat wij een doel vermoeden, liefst zeggen
het heeft er een, of een waarvan wij weet hebben.
Soms laat het ons onze gang gaan, verveelt het zich
met ons, in minachting. Andere keren
leek het ons te bekijken en zich tegen ons te keren
en lachend ons beet te grijpen, grondig
zich wrekend, als hadden wij onze fout bewust gemaakt.

Het wenst een dood en onderweg wacht het hem op
en volgt hem naar huis en maakt hem daar af in de hal.
Of spreekt zoetjes en, bij een drankje aan de bar,
laat het wellicht gemis en eenzaamheid vallen
waardoor het binnenkomt en blijft vijftig jaar lang
of twintig of probeert een andere plek, (hetzelfde geval)
waar het sterft tenslotte in doodsnood en ellende
of (ironie) in welbevinden, bedaard
– wat men noemt ‘de goede dood.’ Weten wij veel?
Het leven vraagt ons niet om zijn waarden.

Bron: Vertalingen / William Bronk – reeks
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk

◄║►

Overzang

Oversteken is vredig
je laten dragen
dit vlot is werk
van boeddha’s hand

dharmawind zuivert
het ademterras
waar woelige avonden
eindigen in gezang

hartsgenoot
van mens of dier
viert vrijelijk eenieder
belichaming hier.

Uit de reeks: Oersteen/Anoniem
Opgenomen in de audio-serie Vuurvocht

◄║►

Innerlijk

In werelden om niets
edelers ontstaan
dan vermeende honger
en mislukkend houvast

komt waan te gast
zodra ik regeert en dicteert
leren wij des te
degelijker waarderen

van elk mens
zich vervulling
gunnend
de ontworsteling.

Uit de reeks: Oersteen/Anoniem
Opgenomen in de audio-serie Vuurvocht

◄║►