Energie (Gerrit Achterberg)

foto van gerrit achterberg
Gerrit Achterberg, 1905-1962

Het vuur, waarin gij nu verkeert,
verwarmt mijn voeten, ik bezin
mij op het feit hoe onverteerd
gij nu geworden zijt tot in
uwe verkolingen, hoe on-
ophoudelijk deze reis begon
door de stofwisseling — en zal
kleiner dan een bekend getal
uw wezen zijn of groter dan
de som van alle, uw bestaan
is onuitwisbaar in de brand
der wereld die de and’re kant
van ademhalen is, de mens
verlaat zichzelf tot aan zijn grens
en wordt zijn eigen energie,
zonder te weten wat of wie
hij voedsel werd en levensbron,
maar in dit zingen slaat gij om
en gij vergeestelijkt tot vorm,
die triomfeert over de worm.

Bron: Achterberg, Gerrit: Verzamelde gedichten. Amsterdam 1967, p. 463
Foto: Wikipedia

◄║►

Zorgvuldig onderzoekend (W. Bronk)

foto van william bronk
William Bronk, 1918-1999

Of het klopt is waarom ik ernaar kijk.
Naar iets daar. Dat daar. Alsof het er was.
Dat jij het was. Een jij is gewenst. Jij daar.
“O”, zou ik zeggen, “jij daar,” (als jij er was)
“weet jij hoe het bestaat?” wil ik zeggen
hoe. Zou jou dat vertellen. Als het klopte,
klopte voor jou, als jij er was, en zou zeggen,
“O, het bestaat niet zoals wij het zeggen,
zo niet. O, nee; zulk bestaan bestaat niet.”

Bron: Vertalingen / William Bronk
Foto: Talisman
Meer van William Bronk:
Vertalingen / William Bronk – reeks

◄║►

Falend een nieuwe wereld te ontwerpen

Als je het een falen wilt noemen, is het de geest
lijkt me, die faalt, maar wat een woord. Hij faalt
door te slagen. Een slinkse triomf. De geest bespiedt
zichzelf en ziet zijn schuilhoeken,
zijn veinzing en vermomming, zijn kwetsbare kant.
Hij verslaat zichzelf steevast bij boter-kaas-en-eieren.
Echt waar, hij wint niet. De kracht van de geest
is slechts dat de geest het beter weet. En altijd weer.
De geest wéét dat dit de maakbare wereld is.
Maar in het hart leeft hoop. Wil je dit het hart noemen?
Onverzadigd verlangen. De visies die het waarneemt
– nog neemt het visies waar – zijn niet tweeslachtig als de geest
(of gewogen en weggezet) maar eenpuntig. En wat
als die visies, in vele gevallen, contouren krijgen
van menselijke vorm, een deel ervan, een been
wellicht, een paar ogen? Wat visie zeker weet te zien
is een geheel nieuwe wereld, een verregaand betere,
of volmaakte, in de vorm van verlangen. Het hart gelooft,
en komt weer terug en gelooft opnieuw; het moet geloven
zolang verlangen heerst. Verdwenen, dooft de bedoeling.
Zou het soms het hart kunnen zijn, als je dit het hart wilt noemen
dat de geest leert te kijken naar wat komt, achterom
te kijken, te doen wat het hart nooit zou kunnen
uit zichzelf, niet te geloven in visies, niet te geloven?

Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk – reeks

◄║►

Het masker dat de drager van het masker draagt

Ja, kijk naar mij; ik ben het masker dat het draagt,
alsook dat wat zich binnen het masker bevindt.
Niets ongemaskerd dan dit. Dit ieder masker.

Het masker valt weg en niets gaat verloren.
Er is enkel de maskermens, de zelfbewuste,
de enkel bewuste, bewust van enkel het zelf.

Wakker, droomt het: is ieder personage;
is altijd meer; is nooit enkel dat.
Het overweegt; toetst elk vormenmasker.

Elk is niets. Elk is niet wat is.
Maar dat het moet zijn. Dat het moet lijken te zijn.
Dat het niet meer is dan dit, en toch er moet zijn.

En dat het oog heeft voor alles, gunnend oogt,
liefdevol oogt, langdurig oog heeft, voor wat er is.


The Mask the Wearer of the Mask Wears

Yes, look at me; I am the mask it wears,
as much am that which is within the mask.
Nothing not mask but that. That every mask.

The mask will fall away and nothing lost.
There is only the mask-wearer, the self-aware,
the only aware, aware of only the self.

Awake, it dreams: is every character;
is always more; is never only that.
It contemplates; tries any mask of shape.

Any is nothing. Any is not what is.
But that it should be. That it should seem to be.
That it be no more than that, and yet should be
.

And that it turn to look, look favorably,
look lovingly, look long, on what there is.

Gedicht van William Bronk
Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: William Bronk – reeks

Origineel in:
Weinfield, Henry: The Music of Thought in the Poetry of George Oppen and William Bronk. Iowa 2009, p. 143

◄║►

Evaluatie (W. Bronk)

foto van william bronk
William Bronk (1918-1999)

“Levensbevestigend,” zegt hij, als zou leven
wachten op onze goedkeuring. Het leven leeft
ons leven; mocht het willekeurig lijken dan
is dit omdat wij een doel vermoeden, liefst zeggen
het heeft er een, of een waarvan wij weet hebben.
Soms laat het ons onze gang gaan, verveelt het zich
met ons, in minachting. Andere keren
leek het ons te bekijken en zich tegen ons te keren
en lachend greep het ons beet, grondig
zich wrekend, als hadden wij onze fout bewust gemaakt.

Het wenst een dood en onderweg wacht het hem op
en volgt hem naar huis en maakt hem daar af in de hal.
Of spreekt zoetjes en, bij een drankje aan de bar,
laat het wellicht gemis en eenzaamheid vallen
waardoor het binnenkomt en blijft vijftig jaar lang
of twintig of probeert een andere plek, (hetzelfde geval)
waar het sterft tenslotte in doodsnood en ellende
of (ironie) in welbevinden, bedaard
– wat men noemt “de goede dood.” Weten wij veel?
Het leven vraagt ons niet om zijn waarden.

Bron: Vertalingen / William Bronk – reeks
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk

◄║►

Klein mens (E.E. Cummings)

klein mens
(haastig
vol gewichtige
drukte)
halt stop vergeet ontspan

wacht

(klein kind
zij die probeerden
zij die faalden
zij die huilden)
ga moedig liggen

slaap

grote regen
grote sneeuw
grote zon
grote maan
(neem

ons in)

Bron: Vertalingen/E.E.Cummings

◄║►

Aan jou (Walt Whitman)

Wie jij ook bent, ik vrees dat je de paden van het droomdomein bewandelt,
Ik vrees dat deze veronderstelde realiteiten onder je voeten en handen vandaan zullen brokkelen,
Zelfs nu al ontvallen jou je kenmerken, je vreugdes, spraak, woonplaats, beroep, gewoontes, moeites, dwaasheden, opsmuk en wandaad,
Je ware aard en lichaam tonen zich mij,
Zij treden naar voren uit bezigheden, uit handel, winkels, arbeid, landbouw, aankleding, onderhoud, kopen, verkopen, eten, drinken, lijden, sterven.

Wie je ook bent, laat me nu mijn hand op je leggen, zodat jij mijn gedicht kunt zijn,
Ik fluister met mijn lippen dicht bij jouw oor,
Ik heb vele vrouwen en mannen bemind, maar er is niemand die ik meer bemin dan jou.

O, ik ben laks en nalatig geweest,
Ik had lang geleden al jou moeten bereiken,
Ik had moeten keuvelen over niets anders dan jou, niets dan jou had ik moeten zingen.

Ik zal alles verlaten en jou een loflied komen zingen,
Niemand heeft jou nog begrepen, maar ik begrijp je,
Niemand heeft jou recht gedaan, je hebt jezelf geen recht gedaan,
Eenieder vond jou onvolmaakt, enkel ik vind geen onvolmaaktheid in jou,
Eenieder zag in jou een ondergeschikte, enkel ik ben degene die in jou geen ondergeschiktheid zal dulden,
Ik alleen ben degene die geen meester plaatst boven jou, geen eigenaar, superieur, God, niets hogers dan wat intrinsiek sluimert in jezelf.

Schilders schilderden die volle bijeenkomsten met daarbinnen een centrale figuur,
Zijn hoofd spreidt een gloed van goudkleurig licht,
Maar ik schilder ontelbare hoofden, en elk van die hoofden heeft zijn krans van goudkleurig licht,
Het stroomt uit mijn hand, uit het brein van elke man en vrouw als een eeuwig stralende vloed.

O, wat een grootsheid en glorie zou ik over jou kunnen zingen!
Jij hebt nooit geweten wat je bent, een leven lang sluimerde jij op jezelf,
Je oogleden waren meestentijds vrijwel gesloten,
Al wat je gedaan hebt komt nu bij je terug als karikatuur,
(Je beleid, kennis, gebeden, komen zij niet terug als karikaturen, wat is dan hun terugkomst?)

De karikaturen zijn niet wat jij bent,
Ik zie hoe daaronder en daarbinnen jij je schuilhoudt,
Ik volg je zoals geen ander jou ooit heeft gevolgd,
Stilte, de tafel, de kwinkslag, de nacht, de gevestigde routine, zij mogen jou voor anderen verbergen maar voor mij verbergen ze jou niet,
Het gladde gelaat, de onvaste blik, de vale huid, zij mogen anderen doen wijken maar ik wijk er niet van,
De vrijpostige tooi, de gekunstelde houding, dronkenschap, hebzucht, een voortijdige dood, dit alles schuif ik terzijde.

Er is geen rijkdom in man of vrouw die niet in jou ligt opgeslagen,
Er is geen deugd, geen schoonheid in man of vrouw die niet even goed is als de jouwe,
Geen moed, geen volharding in anderen, of hij is net zo goed als de jouwe,
Geen vreugde die anderen toekomt, of eenzelfde vreugde wacht jou.

Wat mij aangaat, ik geef niemand ook maar iets zolang ik niet bewust jou hetzelfde geef,
Ik zing de liederen van geen mens of God zolang ik mijn lofliederen op jou niet heb gezongen.

Wie jij ook bent! Wat er ook gebeurt, eis jezelf op!
Dat opzichtig theater van Oost of West is maar een tamme onderneming vergeleken met jou,
Deze immense velden, deze eindeloze rivieren, je bent even immens en eindeloos als zij,
Deze furie van elementen, stromen, natuurkrachten, stuiptrekkingen van een onmiskenbaar vergaan, jij bent degene die er de baas of bazin van is,
Baas of bazin op eigen gezag over natuur, elementen, pijn, passie, vergaan.

De ketenen vallen van je enkels, je ontdekt een voorgoed voorzien zijn,
Oud of jong, man of vrouw, rauw, onontwikkeld, afgewezen door de rest, al wat jij bent neemt vorm aan,
Geboorte, leven, dood, begrafenis leveren de juiste middelen, niets wordt verkwist,
Door woede, tegenslagen, ambitie, onkunde, ergernis, baant wat jij bent zich een pad.

► Oorspronkelijke tekst

To you

Whoever you are, I fear you are walking the walks of dreams,
I fear these supposed realities are to melt from under your feet and hands,
Even now your features, joys, speech, house, trade, manners, troubles, follies, costume, crimes, dissipate away from you,
Your true soul and body appear before me,
They stand forth out of affairs, out of commerce, shops, work, farms, clothes, the house, buying, selling, eating, drinking, suffering, dying.

Whoever you are, now I place my hand upon you, that you be my poem,
I whisper with my lips close to your ear,
I have loved many women and men, but I love none better than you.

O I have been dilatory and dumb,
I should have made my way straight to you long ago,
I should have blabb’d nothing but you, I should have chanted nothing but you.

I will leave all and come and make the hymns of you,
None has understood you, but I understand you,
None has done justice to you, you have not done justice to yourself,
None but has found you imperfect, I only find no imperfection in you,
None but would subordinate you, I only am he who will never consent to subordinate you,
I only am he who places over you no master, owner, better, God, beyond what waits intrinsically in yourself.

Painters have painted their swarming groups and the centre-figure of all,
From the head of the centre-figure spreading a nimbus of gold-color’d light,
But I paint myriads of heads, but paint no head without its nimbus of gold-color’d light,
From my hand from the brain of every man and woman it streams, effulgently flowing forever.

O I could sing such grandeurs and glories about you!
You have not known what you are, you have slumber’d upon yourself all your life,
Your eyelids have been the same as closed most of the time,
What you have done returns already in mockeries,
(Your thrift, knowledge, prayers, if they do not return in mockeries, what is their return?)

The mockeries are not you,
Underneath them and within them I see you lurk,
I pursue you where none else has pursued you,
Silence, the desk, the flippant expression, the night, the accustom’d routine, if these conceal you from others or from yourself, they do not conceal you from me,
The shaved face, the unsteady eye, the impure complexion, if these balk others they do not balk me,
The pert apparel, the deform’d attitude, drunkenness, greed, premature death, all these I part aside.

There is no endowment in man or woman that is not tallied in you,
There is no virtue, no beauty in man or woman, but as good is in you,
No pluck, no endurance in others, but as good is in you,
No pleasure waiting for others, but an equal pleasure waits for you.

As for me, I give nothing to any one except I give the like carefully to you,
I sing the songs of the glory of none, not God, sooner than I sing the songs of the glory of you.

Whoever you are! claim your own at any hazard!
These shows of the East and West are tame compared to you,
These immense meadows, these interminable rivers, you are immense and interminable as they,

These furies, elements, storms, motions of Nature, throes of apparent dissolution, you are he or she who is master or mistress over them,
Master or mistress in your own right over Nature, elements, pain, passion, dissolution.

The hopples fall from your ankles, you find an unfailing sufficiency,
Old or young, male or female, rude, low, rejected by the rest, whatever you are promulges itself,
Through birth, life, death, burial, the means are provided, nothing is scanted,
Through angers, losses, ambition, ignorance, ennui, what you are picks its way.

Tekst: Whitman, Walt: Complete Poetry and Collected Prose. Washington 1982, p. 375
Foto: Wikipedia
Bron: Vertalingen/Divers
Opgenomen in de audio-serie Vuurvocht

◄║►