Existentieel lijden

Fragment van Stiltij-overleg tijdens het verdiepingsweekend van 3-5 dec. 2021 te Cortils (B.) waar het thema lijden werd onderzocht via o.a. psalm 88 (Roep om hulp) in onderstaande versie van Norman Fischer.

Het licht verschuift aan het beschot.
Ik worstel zwijgende met God.

(uit gedicht De Schrijver; Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten I, p. 314)

ROEP OM HULP

Overdag roept mijn stem aan je einders
’s nachts kom ik naakt voor je staan
moge mijn gebed jou nu roeren
hoor hoe ik me tot je richt

mijn hart weegt zwaar van het lijden
één langgerekte dood is mijn bestaan
krachteloos als zij die aan het eind zijn
dool ik tussen de gestorvenen
als een lijk, vermoord, miskend, vergeten
in zijn bloei gekeeld door jouw hand

jij liet me zinken naar de bodem
in duistere sfeer, ten diepste bedrukkend
je ranselt me hier met je furie
beukt me met jouw vloed

al mijn vrienden joeg je heen
je deed hen stuiven als was ik vergif
nu ben ik gevangen, geknoopt, verkrampt

bijtend zuur kwelt mijn ogen
geen dag dat ik niet om je roep
uur na uur hef ik mijn handen naar jou

zul je wonderen voor de doden verrichten
zullen de overledenen opstaan en je danken
zullen zij hun mond openen, je goedheid beamen
kan men in dit duister jouw wonderen zien
kan men jouw liefde onthouden hier
in dit oord van eindeloos vergeten

nog luider roep ik daarom, doordringender
wijd ik mijn hart aan het ochtendgebed
waarom verwerp je mijn ziel
waarom verberg je je aangezicht

een leven lang al verteert me de tijd
voortdurend vrat kwelling aan mij
ik verdroeg je machtige gruwelen
maar radeloos maakt het mijn geest

het vuur van je woede raast over mijn lichaam
aldoor beproeven mij jouw verschrikkingen
dagelijks zwermen ze in en rondom me
omspoelen mij, zuigen me neerwaarts
zodat ik naar adem snak

alle gezelschap heb jij me ontnomen
het licht in de blik van geliefden en vrienden
is blijvend gedoofd.

Uit: Vertalingen / psalmodie

◄║►

Energie (Gerrit Achterberg)

foto van gerrit achterberg
Gerrit Achterberg, 1905-1962

Het vuur, waarin gij nu verkeert,
verwarmt mijn voeten, ik bezin
mij op het feit hoe onverteerd
gij nu geworden zijt tot in
uwe verkolingen, hoe on-
ophoudelijk deze reis begon
door de stofwisseling — en zal
kleiner dan een bekend getal
uw wezen zijn of groter dan
de som van alle, uw bestaan
is onuitwisbaar in de brand
der wereld die de and’re kant
van ademhalen is, de mens
verlaat zichzelf tot aan zijn grens
en wordt zijn eigen energie,
zonder te weten wat of wie
hij voedsel werd en levensbron,
maar in dit zingen slaat gij om
en gij vergeestelijkt tot vorm,
die triomfeert over de worm.

Bron: Achterberg, Gerrit: Verzamelde gedichten. Amsterdam 1967, p. 463
Foto: Wikipedia

◄║►

Zorgvuldig onderzoekend (W. Bronk)

foto van william bronk
William Bronk, 1918-1999

Of het klopt is waarom ik ernaar kijk.
Naar iets daar. Dat daar. Alsof het er was.
Dat jij het was. Een jij is gewenst. Jij daar.
“O,” zou ik zeggen, “jij daar,” (als jij er was)
“weet jij hoe het bestaat?” Ik wil zeggen
hoe dan. Wil jou dat vertellen. Als het klopte,
klopte voor jou, als jij er was, wil ik zeggen,
“O, het bestaat niet zoals wij zeggen dat het is,
zo niet. O, nee; zulk bestaan bestaat niet.”

Bron: Vertalingen / William Bronk
Foto: Talisman
Meer van William Bronk:
Vertalingen / William Bronk – reeks

◄║►

Falend een nieuwe wereld te ontwerpen (W. Bronk)

Als je het een falen wilt noemen, is het de geest
lijkt me, die faalt, maar wat een woord. Hij faalt
door te slagen. Een slinkse triomf. De geest bespiedt
zichzelf en ziet zijn schuilhoeken,
zijn veinzing en vermomming, zijn kwetsbare kant.
Hij verslaat zichzelf steevast bij boter-kaas-en-eieren.
Echt waar, hij wint niet. De kracht van de geest
is slechts dat de geest het beter weet. En altijd weer.
De geest wéét dat dit de maakbare wereld is.
Maar in het hart leeft hoop. Wil je dit het hart noemen?
Onverzadigd verlangen. De visies die het waarneemt
– nog neemt het visies waar – zijn niet tweeslachtig als de geest
(of gewogen en weggezet) maar eenpuntig. En wat
als die visies, in vele gevallen, contouren krijgen
van menselijke vorm, een deel ervan, een been
wellicht, een paar ogen? Wat visie zeker weet te zien
is een geheel nieuwe wereld, een verregaand betere,
of volmaakte, in de vorm van verlangen. Het hart gelooft,
en komt weer terug en gelooft opnieuw; het moet geloven
zolang verlangen heerst. Indien verdwenen, dooft de bedoeling.
Zou het danhet hart kunnen zijn, als je dit het hart wilt noemen
waar de geest van leert verder te kijken dan het zichtbare, achterom
te kijken, te doen wat het hart nooit zou kunnen
zelf, niet te geloven in visies, niet te geloven?

Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk – reeks

◄║►

Het masker dat de drager van het masker draagt

Ja, kijk naar mij; ik ben het masker dat het draagt,
alsook dat wat zich binnen het masker bevindt.
Niets ongemaskerd behalve dit. Dit ieder masker.

Het masker valt weg en niets gaat verloren.
Er is enkel de maskermens, de zelfbewuste,
de enkel bewuste, bewust van enkel het zelf.

Wakker, droomt het: is ieder personage;
is altijd meer; is nooit enkel dat.
Het overweegt; toetst elk vormenmasker.

Elk is niets. Elk is niet wat is.
Maar dat het moet zijn. Dat het moet lijken te zijn.
Dat het niet meer is dan dit, en toch er moet zijn.

En dat het oog heeft voor alles, gunnend oogt,
liefdevol oogt, langdurig oog heeft, voor wat er is.


The Mask the Wearer of the Mask Wears

Yes, look at me; I am the mask it wears,
as much am that which is within the mask.
Nothing not mask but that. That every mask.

The mask will fall away and nothing lost.
There is only the mask-wearer, the self-aware,
the only aware, aware of only the self.

Awake, it dreams: is every character;
is always more; is never only that.
It contemplates; tries any mask of shape.

Any is nothing. Any is not what is.
But that it should be. That it should seem to be.
That it be no more than that, and yet should be
.

And that it turn to look, look favorably,
look lovingly, look long, on what there is.

Gedicht van William Bronk
Bron: Vertalingen / William Bronk
Meer van William Bronk: William Bronk – reeks

Origineel in:
Weinfield, Henry: The Music of Thought in the Poetry of George Oppen and William Bronk. Iowa 2009, p. 143

◄║►

Evaluatie (W. Bronk)

foto van william bronk
William Bronk (1918-1999)

“Levensbevestigend,” zegt hij, als zou het leven
wachten op onze goedkeuring. Het leven leeft
ons leven; mocht het willekeurig lijken
dan is dit omdat wij een doel vermoeden, liefst zeggen
het heeft er een, of een waarvan wij weet hebben.
Soms laat het ons onze gang gaan, verveelt het zich
met ons, in minachting. Andere keren
leek het ons te bekijken en zich tegen ons te keren
en lachend ons beet te grijpen, grondig
zich wrekend, als hadden wij onze fout bewust gemaakt.

Het wenst een dood en onderweg wacht het hem op
en volgt hem naar huis en maakt hem daar af in de hal.
Of spreekt zoetjes en, bij een drankje aan de bar,
laat het wellicht gemis en eenzaamheid vallen
waardoor het binnenkomt en blijft vijftig jaar lang
of twintig of probeert een andere plek, (hetzelfde geval)
waar het sterft tenslotte in doodsnood en ellende
of (ironie) in welbevinden, bedaard
– wat men noemt ‘de goede dood.’ Weten wij veel?
Het leven vraagt ons niet om zijn waarden.

Bron: Vertalingen / William Bronk – reeks
Meer van William Bronk: Vertalingen / William Bronk

◄║►

Klein mens (E.E. Cummings)

klein mens
(haastig
vol gewichtige
drukte)
halt stop vergeet ontspan

wacht

(klein kind
zij die probeerden
zij die faalden
zij die huilden)
ga moedig liggen

slaap

grote regen
grote sneeuw
grote zon
grote maan
(neem

ons in)

Bron: Vertalingen/E.E.Cummings

◄║►