E.E. Cummings

Only the truest things always
are true because they can’t be true.

Cummings, E.E. (ed.: Firmage, G.J.):
Complete Poems, 1904-1962. New York 2016, p. 739

TOEN GOD BESLOOT

toen god besloot te verzinnen
alles ademde hij een
teug groter dan een circustent
en zo vond alles zijn begin

toen de mens besloot te vernietigen
zichzelf onttrok hij het waren
aan zullen en vond slechts waarom
dus flikkerde hij het in omdat

Cummings, E.E.: Selected poems 1923-1958.
London 1960, p. 60

◄║►

IK BEN EEN KLEINE KERK

ik ben een kleine kerk (geen grote kathedraal)
ver van de praal en misere van haastige steden
– ik tob niet wanneer korte dagen nog korter worden,
ik treur niet als zon en regen april verwekken

mijn leven is het leven van maaier en zaaier;
mijn gebeden zijn de gebeden van de aarde zelf, haar omslachtig strevende
(winnende en verliezende en lachende en huilende) kinderen
die met hun minste pijn of vreugde mij bedrukken of verblijden

rondom mij gutst een wonder van onophoudelijke
geboorte en glans en dood en herrijzenis:
boven mijn slapend zelf zweven vlammende symbolen
van hoop, en ik ontwaak in de volmaakte verdraagzaamheid van gebergte

ik ben een kleine kerk (ver van de krankzinnige
wereld met zijn lusten en kwelling) één met de natuur
– ik tob niet als langere nachten nog langer worden
ik treur niet wanneer het stille verandert in gezang

van winter op lente richt ik mijn onbeduidende spits
naar Hem Wiens enige nu is voorgoed:
rechtop staand in de doodloze waarheid van Zijn aanwezigheid
(groetend bescheiden Zijn licht en waardig Zijn duister)

Cummings, E.E.: Selected poems 1923-1958.
London 1960, p. 91

◄║►

IN DE LENTE

in

de Lente komt (geen
mens
vraagt naar zijn naam)

een reparateur
van dingen

met onstuimige
vingers (met
geduldige
ogen) her

-nieuw-

en herstellen wat
wij al
-licht zouden
hebben weg-

gegooid (en wiens

water
-sprankelende bloem-
zachte vogel
-rappe stem liefheeft

kinderen
en zonlicht en

gebergte) in april (maar
mocht hij
Glimlachen) komt wie

niemand zal kennen

Cummings, E.E. (ed.: Firmage, G.J.):
Complete Poems, 1904-1962. New York 2016, p. 701

◄║►

DAT WAAR WIJ DIE ONDANKS SPIEGELS LEVEN

dat waar wij die ondanks spiegels leven
(zijn gestorven na de klok) wij, van onszelf

meer deel uitmakend (minder wie gewaar is)

dan van mijn boeken zelfs jouw planken zouden kunnen
(dat waar wij voor sterven; niet wanneer of tenzij
indien of als bewijs, gebrekkig of vanwege

maar via spontane vaardige louter gruwelen

door sterren wellicht niet bemerkt; terwijl rozen huiveren)
dat waar wij voor sterven leeft (eindeloos wellicht dit
zicht met zachte waakzame onverwoestbare ogen
op elk exact slachtoffer, hoe hij zich niet verroert)

O lief, mijn lief! ziel geboeid en hart gewekt
en de geest springt (en dat waarvoor wij sterven leeft
even volledig als dat waarvoor wij leven sterft)

Cummings, E.E. (ed.: Firmage, G.J.):
Complete Poems, 1904-1962. New York 2016, p. 412

◄║►

OP EEN WINTERMIDDAG

op een wintermiddag

(rond het magisch uur
als zo wordt hoezo)

overhandigde een spikkelversierde
clown op eighth street
mij een bloem.

Niemand, kan men gerust
stellen, keek naar hem behalve

ikzelf; en waarom? omdat

hij zonder enige twijfel iets
was (aanvankelijk en uiteindelijk) wat

meestemensen het meeste vrezen:
een mysterie waarvoor geen ander woord
mij is bekend dan levend

– dat wil zeggen, volledig in aandacht
en wonderlijk soeverein

met niet enkel een geest en een hart

maar onmiskenbaar een ziel –
in geen enkel opzicht doodleuk lachwekkend

(of vergelijkbaar democratisch)
maar diepgaand poëtisch
of van een toverachtige ernst

een bekwame geen grove clown
(geen gespuis, maar een persoonlijkheid)

zonder ooit enig woord te spreken

het tegendeel van sprakeloos;
want de stilte van hem

zelf zong als een vogel.
Meestemensen naar men zegt
schreeuwen om internationale

maatregelen voor rationalisatie van de hel
– ik dank de hemel dat iemand dwaas genoeg is
mij een madelief te geven

Wegner, Robert E. C.: The Poetry and Prose of E.E. Cummings.
Harcourt 1965, P. 39

◄║►

OMHOOG DE STILTE IN DE GROENE

omhoog de stilte in de groene
stilte met daarin een witte aarde

zul jij (kus me) gaan

naar buiten de ochtend in de jonge
ochtend met daarin een warme wereld

(kus me) zul je gaan

verder het zonlicht in het klare
zonlicht met daarin een krachtige dag

zul je gaan (kus me

omlaag je herinnering in en
een herinnering en herinnering

ik) kus me (zal gaan)

Wegner, Robert E. C.: The Poetry and Prose of E.E. Cummings.
Harcourt 1965, p. 53

◄║►

KLEIN MENS

klein mens
(haastig
vol gewichtige
drukte)
halt stop vergeet ontspan

wacht

(klein kind
zij die probeerden
zij die faalden
zij die huilden)
ga moedig liggen

slaap

grote regen
grote sneeuw
grote zon
grote maan
(neem

ons in)

Cummings, E.E. (ed.: Firmage, G.J.):
Complete Poems, 1904-1962. New York 2016, p. 420

◄║►

Mandelstam

GEBED

Help me, Heer, vannacht mijn leven te bewaren.
Behoed me, Heer, uw dienaar toch, uw slaaf.
Hoor, Heer, mijn geadem in deze menigte, mijn graf.

Wiman, Christian: Stolen air;
selected poems of Osip Mandelstam.
New York 2012, p. 28


Een variant:

Schenk me de kracht, Heer, deze nacht te doorstaan,
want ik, uw slaaf, vrees voor mijn leven:
ik beweeg door deze stad alsof ik slaap in een zerk.

Mandelstam, Osip:
Complete poetry of Osip Emilevich Mandelstam;
translated by B. Raffel and Alla Burago.
Albany 1973, p. 188
Brown, Clarence: Mandelstam. New York 1973, p. 126

◄║►

EEN VERGISSING

Uw gezicht pijnlijk ongrijpbaar
wist ik beneveld niet te raken;
dwaas hoorde ik “Heer”
omdat mijn mond niet zweeg

een vogel soeverein gevleugeld
verliet Gods naam mijn hart;
voor mijn ogen wervelt de nevel,
achter me een kooi, leeg.

Mandelstam, Osip:
Gedichte– Paul Celan (Übersetzer).
Frankfurt 2017 (oorspr. 1959), p. 21
Mandelstam, Osip:
Complete poetry of Osip Emilevich Mandelstam;
translated by B. Raffel and Alla Burago.
Albany 1973, p. 46

◄║►

TWEEGESPREK

Jouw smalle schouders waren bedoeld
om te zwellen onder de zweepslagen
te zwellen onder de zweepslagen
en te gloeien in de ijzige sneeuw

jouw kindhanden waren bedoeld
om witheet ijzer te tillen
witheet ijzer te tillen
en van hennep stroppen te vlechten

jouw tere voeten waren bedoeld
om blootsvoets te lopen over glas
blootsvoets te lopen over glas
en bloeddoordrenkt zand

zeker, en ik was bedoeld om voor u
te branden als een zwarte kaars
te branden als een zwarte kaars
en nooit te durven bidden.

Mandelstam, Osip:
Complete poetry of Osil Emilevich Mandelstam;
translated by B. Raffel and Alla Burago.
Albany 1973, p. 235

◄║►

OOK WAAN

Ook waan heeft een zin hier misschien.
Wellicht wordt bewustzijn, verknoopt als een cyste,
– in licht gewaar en in ruimte gezien –
wordt leven ontward en bestaan wij.

Zie hoe de breinloze spin verzorgt
zijn vormloos verankerd, kristallen tempeltje,
een en al ruimte en gerichtheid:

alsof een ontwerp zijn maker bedankte,
alsof elke lichtstraal naar zijn bron werd gezogen,
also diep in de wildernis een burchtzaal verscheen
rond de adellijke gasten,
hun expressie gezuiverd van alle pijn…

Zoals op aarde, Heer, niet in de hemel.
Op aarde, en in een huis uit liederen gebouwd.
Zelfs de vogels, de meest fragiele, van vrees bevrijd.
O Heer, zó lang te leven…

Heb mededogen, vergeef me mijn woorden.
Fluister ze, zachter nog dan fluistering: als iemand in gebed.

Wiman, Christian:
Stolen Air; selected poems of Osip Mandelstam.
New York 2012, p. 67

◄║►

VERTALEN

Tartaren, Oezbeken, Samoyeden,
alle Oekraïners,
zelfs de Wolga-Duitsers
wachten op hun vertalers;

en wie weet, op ditzelfde moment
is een anonieme Japanner
mij in het Turks aan het vertalen
en raakt aan mijn diepste innerlijkheid.

Mandelstam, Osip:
Complete poetry of Osil Emilevich Mandelstam;
translated by B. Raffel and Alla Burago.
Albany 1973, p. 223

◄║►

Kluizenaars

EIGEN TEELT

Graf na graf ligt bedolven onder gebladerte
vóór hun begrafenis droegen ze gouden zegels
maar begeerte legt het af tegen onthechting
ambitie is geen partij voor gemoedsrust

door aas verleid eindigen vissen in de pan
ongekooid kiest een vogel het hemelruim
werelds gedoe laat de kluizenaar koud
uit eigen teelt weef ik van vezels mijn pij.

Red Pine: The Zen works of Stonehouse;
poems and talks of a 14th-century Chinese hermit.
Berkeley 1999, p. 3

◄║►

MILJOENEN DEUREN

Lees je de soetra’s niet in je jonge jaren
dan zal jou later hun betekenis ontgaan
je zult niet weten dat miljoenen deuren
zich bevinden in jouw minuscule geest

wanneer sta je stil bij leven en dood
omgeven door dagelijks wel en wee
zal ouderdom jou ooit verrassen
voor bezinning is het dan te laat.

Red Pine: The Zen works of Stonehouse;
poems and talks of a 14th-century Chinese hermit.
Berkeley 1999, p. 79

◄║►

VAARWEL MONNIK

Om van jou vrije monnik
afscheid te nemen,
zitten we aan
de oever van de stroom

op verre wegen
toon jij je lege nap,
in diep gebergte
bewandel je gevallen blad

zonder meesterlijke hulp
zoek je de zen-kern,
alle lof verdient
jouw waardig dichten

jouw weggaan
is geen loze drang,
de ene wolk
komt nergens thuis.

Gedicht van Chia Tao (779-843),
Bron: O’Connor, Mike and Johnson, R. Steve: Where the world does not follow;
buddhist China in picture and poem. Somerville 2002, p. 21

◄║►

KLUIZENAARSLEVEN

Met deze rustplek
weet de wereld zich geen raad,
maar diepste aandoening
wordt er genezen

van oude gedichten laat ik
de woorden glanzen,
aanschouw de berghellingen
en slaap buiten mijn hut

kleurrijke wolken schuiven
voor de ondergaande zon,
cicades weerklinken
verspreid tussen de bomen

dit alles
vervult steeds weer mijn hart,
en wie had dit verwacht
zo zonder beurs of borrel?

YaoHo (Mike O’Connor: Where the world does not follow;
buddhist China in pictures and poems. Somerville 2002, p. 97)

◄║►

GOED SEIZOEN

Honderden bloemen in de lente
de maan in de herfst
een koele bries in de zomer
en sneeuw in de winter

als er geen loze wolken
drijven in je geest
is dit voor jou een goed seizoen.

Zenmeester Wumen (1183-1260),
Bron: Zenkei Shibayama: The gateless barrier. Boston 2000, p. 140

◄║►

LEEGTE

Leegte verschijnt niet
leegte verdwijnt niet

wie leegte kent
verschilt niet ervan.

Doodsgedicht van Wumen (1183-1260),
Bron: The encyclopedia of eastern philosophy and religion. Boston 1994, p. 418

◄║►

GEBED VAN HAKUIN

Al spat het hele hemelruim uiteen,
mijn gelofte kent geen eind.
De verdienste van dit wijsheidslied gaat naar allen
die verlangen naar het zodanigheidsverblijf.

Aan de boeddha’s van de drie werelden,
aan zen-stamhouders en wijze thuisverlaters wijd ik me,
aan elke deva, naga en demon die de wet hoedt
en alle goden in dit rijk voorziene land.

Mogen alle broeders hier bij mij verzameld
met onwrikbaar gemoed en diamanten visie
zich doeltreffend wijden aan het slechten van de wand

en moge hun vervolmaking van het stralend goedheidsjuweel
en hun opschoning van alle blindheidsfantomen
permanent tot steun zijn de onafzienbare menigte lijdenden.

Waddell, Norman: Zen words for the heart;
Hakuin’s commentary on the Heart sutra. London 1996, p. 87
+ Waddell, Norman: Poison Blossoms from a Thicket of Thorn.
Berkeley 2014, p. 411

◄║►

DRAKENTAAL

Waarheid pulseert ook nu al
in ons mensenhart
een boeddha onthoudt zich
dus van werving

zijn mededogend drakenlijf
nodigt met bevrijdende adem
eenieder uit zich innerlijk
te vestigen

in de zuivere, uitgestrekte
universeel en bodemloos
volmaakte vrede van
zijn kaken.

Maitreya, Asanga: Ornament of the Great Vehicle Sutras,
Mahayanasutralamkara with Commentaries by Khenpo Shenga and Ju Mipha.
Boston 2014, p. 398-399, vers XIII-2

◄║►

HERFSTAVOND

Nu het hele universum
zich kleurt met regen
ziet men nauwelijks meer zijn vorm

vanaf de overzijde van de rivier
klinkt ver weg
de dreun van soetra-zang

op de Tsuke-berg
gaan in dit nachtelijk duister
talloze monniken in meditatie

maar bij deze steenhoop
wie zal hier bezemen
de herfstwolken?

Gedicht van Pao Jung (9e eeuw),
Bron: O’Connor, Mike and Johnson, R. Steve: Where the world does not follow;
buddhist China in picture and poem. Somerville 2002, p. 91

◄║►

GLORIE VAN VRIJHEID

Een leven lang te lui om te slagen
koers ik in alles op hemelse waarheid.
Drie pakken rijst telt mijn huidige voorraad
plus een bundeltje hout bij het haardvuur.

Geen drukte over wie verlicht is en wie niet,
wat zegt me de walm van roem en bezit?
Nachtelijke regen bedekt deze rieten hut,
mijn twee benen strek ik zoals het me uitkomt.

Ryokan (Japan, 1758-1831)
Foster, Nelson & Shoemaker, Jack: The roaring stream;
a new Zen reader. Hopewell 1996, P. 350

◄║►

KEERPUNT

De vele veranderingen in het verleden,
ons zuchten tijdens het afscheid;
tien jaar lang wist geen enkel bericht
onze werelden opnieuw te verbinden

gouden schalen op een altaar van sandelhout
– is alles goed met jou?
een stenen hut, een meditatiekussen
– precies het juiste voor mij

het warme licht van de lentezon
moet de sneeuw op mijn slapen nog smelten;
pas als het droomspel verbroken wordt
ontvouwt zich in mij zijn heldere zin

vaak was jij daarin aanwezig
en bemoedigde mij op mijn droomtocht,
maar wanneer ik nu achter me kijk:
is daar iemand, op die Weidse Vlakten?

Tekst: Baochi Jizang (17e eeuwse vrouwelijke Zen-meester)
Bron: Grant, Beata: Eminent nuns; women Chan masters of seventeenth-century China.
Honolulu 2008, p. 139)

◄║►

DAGBESTEDING

Toelichting: de oorspronkelijke titel van deze tekst van Zen-meester Zhaozhou (778-897) luidt “Lied van de twaalf uren van de dag” [n.b.: een uur in China staat gelijk aan twee uren in het Westen]. Een loflied op de bevrijdingsweg.

De haan kraait; het eerste uur van de dag.
Droefheid is voelbaar, moedeloos sta ik op.

Geen lendedoek, geen onderhemd,
enkel iets dat in de verte lijkt op een pij.
Een onderbroek zonder taille, de werkbroek aan flarden;
het hoofd bedekt met vijftien kilo grauwe stof.
Als je op deze manier oefent en anderen van dienst wilt zijn,
dan besef je wat voor nietsnut je eigenlijk bent.

Zonlicht op de vloer; het tweede uur van de dag.
Een vervallen tempel in een afgelegen dorp, niets noemenswaardigs.

In de ochtendpap is geen korrel rijst te vinden;
ik staar naar het open raam met zijn vuile scheuren.
Enkel het gekwetter van mussen, niemand die ik tot vriend ben;
zittend hier in mijn eentje, hoor ik af en toe wat bladeren vallen.
Wie zei er dat met thuisverlaten alle voorkeur en tegenzin verdwijnt?
Als ik erbij stilsta, wordt mijn zakdoek onwillekeurig vochtig van de tranen.

De zon komt op; het derde uur van de dag.
Ongereptheid verandert in rusteloze drang.

Iets doen vanwege beloning is begraven worden in het vuil;
het domein van grenzeloosheid is nog niet schoongeveegd.
Vaak fronsen zich mijn wenkbrauwen, zelden van harte tevreden;
het valt niet mee de verschrompelde grijze dorpelingen te verdragen.
Schenkingen hebben deze plek nooit weten te vinden;
een loslopende ezel vreet onkruid aan de ingang van de oefenruimte.

Etenstijd; het vierde uur van de dag.
Halfslachtig probeer ik het vuur aan te steken, aan alle kanten kijkend.

De voorraad meel en koekjes is vorig jaar al opgegaan;
nu ik eraan denk, krijg ik slechts speeksel te slikken.
Onophoudelijk gezucht: de dingen vallen zelden in verband;
temidden van de talrijke personen zijn er geen goede mensen.
Degenen die hier langskomen vragen enkel om een kop thee,
en als dit niets oplevert verdwijnen zij weer, nors mompelend.

Halverwege de ochtend; het vijfde uur van de dag.
Had iemand ooit gedacht toen ik me kaal schoor, dat het er zo aan toe zou gaan?

Er was geen bijzondere aanleiding een dorpspriester te willen worden,
afgezonderd, hongerig en eenzaam, meer dood dan levend.
Van de kant van de brave burgers hier
heb ik nooit het geringste respect ervaren.
Onlangs nog kwamen zij aankloppen aan mijn poort,
maar het enige dat men zocht, was wat thee en wat papier te leen.

De zon staat in het Zuiden; het zesde uur van de dag.
Er zijn geen speciale voorschriften om te gaan bedelen voor rijst en thee.

Eerst naar de zuidelijke woningen, dan naar de noordelijke;
het spreekt vanzelf dat ik langs de route slechts excuses hoor.
Het zout is bitter, de gerst zuur,
een pasta van gierstgras, gemengd met snijbiet.
Noem het maar ‘Geschenken niet onwaardig zijn’;
een bodhisattva moet zijn geest van de Weg stevig vestigen.

Ondergaande zon; het zevende uur van de dag.
Draai alles om; niet langer opereer je in het gebied van licht en schaduw.

Ooit hoorde ik: “Eenmaal vervuld, vergeet je de honger”,
dat is precies hoe mijn lijf vandaag voelt.
Geen onderzoeken van Zen, geen overwegen van wetmatigheden,
enkel het spreiden van deze haveloze mat en een dutje in de zon.
Een mens kan beelden maken, verhevener nog dan de Tushita-hemel,
maar dat haalt het niet bij deze zon-geblakerde rug.

Namiddag; het achtste uur van de dag.
Kijk, iemand blijkt wierook te branden en buigingen te maken.

Van deze vijf oude dametjes hebben er drie een bierbuik,
de andere twee hebben een gezicht dat bol staat van de rimpels.
Lijnzaad-thee, zo zeldzaam,
dat de twee beschermgoden hun spieren niet hoeven te roeren.
Ik bid dat als volgend jaar de zijde en gerst zijn gerijpt
de eerwaarde Rahula mij zal groeten.

Zonsondergang; het negende uur van de dag.
Wat valt er te beschermen, behalve ongerepte wildernis?

Een monnik toont zijn grootsheid in functieloos bewogen worden;
van tempel tot tempel gaand, bezit hij de eeuwigheid.
Code overstijgende woorden komen niet via de mond;
belangeloos ga je verder waar Boeddha’s zonen ophielden.
In je handen een staf van onbewerkt braamhout
om bergen te beklimmen, maar ook om honden te verjagen.

Gouden duisternis; het tiende uur van de dag.
Alleen rustend in het duister van dit ene, lege vertrek.

Voorgoed onvatbaar voor het flakkerend kaarslicht
is de puurheid hier voor mijn ogen gitzwart.
Zelfs een bel die braafjes de dag afrondt hoor ik niet,
enkel het luidruchtig gescharrel van oude ratten.
Wat heeft een mens nou nodig om zich verbonden te voelen:
elk van mijn gedachten is verlichtingsbesef.

Tijd om te slapen; het elfde uur van de dag.
Heldere maan boven de poort: misgunt hij zich ook maar iemand?

Nu ik weer naar binnen ga, betreur ik dat het bedtijd is;
de kleren om mijn lijf doen dienst als deken.
Hoofdmonnik Liu en asceet Chang:
prachtig, hoe zij lipwapperend goedheid bespreken!
Wat zou het als mijn loze vleesvracht zich oplost;
vraag je “Waarom?”, dan zal elk antwoord jou blijven ontgaan.

Middernacht; het twaalfde uur van de dag.
Hoe zou dit beleven er zelfs maar één moment niét kunnen zijn?

Als ik denk nu aan hen die hun wereldse woning verlaten,
voel ik me een eeuwenoude tempeldienaar.
Er is dit bed van aarde, een versleten rieten mat,
en een oude, houten hoofdsteun zonder enige bekleding.
Het heilig beeld van de Boeddha krijgt hier geen wierookverering;
uit de as van het strovuur klinkt het schijten van de os.

Bron: James Green: The recorded sayings of Zen master Joshu. Boston 1998, p. 171

◄║►

LOFLIED OP MIJN LERAAR

Vermijd bewust het buiten je te zoeken
anders wijkt het steeds verder weg.
Vandaag wandel ik alleen
maar in alles ontmoet ik hem.

Hij is niemand anders nu dan mij
maar ik ben niet hetzelfde als hem.
Zo moet het begrepen worden
om te kunnen opgaan in zodanigheid.

Bron: Powell, William F.: The record of Tung-shan.
Honolulu 1986, p. 27-28

◄║►

LAAT IN DE HERFST

Hier zo zittend voel ik verdriet om verlies van mijn kracht,
het is nog geen negen uur en de zaal is al verlaten;
een regenstorm plet de wilde vruchten,
insecten komen tjirpen hierbinnen onder de lamp

het is moeilijk grijs haar te ontlopen, razend moeilijk,
en waarachtig goud laat zich niet zomaar fabriceren;
voor wie zoekt naar een medicijn tegen de kwalen van ouderdom,
is er slechts dit ene: ken het ongeborene!

Gedicht van Wang Wei (699-761)
Bron: Foster, N. & Shoemaker, J.: The roaring stream; a new Zen reader. Hopewell 1996, p. 35

Psalmodie (Fischer)

BUIG KROM RECHT

Gelukkig wie vergeving kent
in wie de wond kan helen
gelukkig wie hervond van waan
verlost jouw harmonie

liefst borg ik stil in
schimmig leed dit broos gestel
want zwaar liet mij jouw hand
steeds trager ademen de dorre zomer

uitgebeend tot fout en feil
sprak onaf ik onvoorwaardelijk
dit is wat ik ten volle erken
en jij vergaf mij om wat ik ben.

Titel: uitspraak van Shenxiu (De grote kwestie, p. 72)
Tekst: beginfragment van Psalm 32, uit:
Norman Fischer: Zen-inspired translations of the Psalms.
New York 2002, p. 49

◄║►

VERBONDEN MET JOU

Nu is het duidelijk
voortdurend ben ik bij jou
jouw rechterhand leidde vredig
mij jouw woning binnen

dit dagelijks besef van jou
laat aan het eind van mijn bestaan
mij opgaan in jouw weidse vuur
dat mij deed branden steeds

wat heeft een hemel nog te bieden
als zelfs aarde leeft van jou
mijn vlees en hart zijn eindigheid
maar jij kent aankomst noch vertrek

allen die verre van jou leven
zijn juist daarin al gesneuveld
jouw ontbreken is de straf
die zich aan hen voltrok

hier intussen nader ik
voortdurend jou en dat is goed
jou kennen is mijn koers
ik ben het rumoer van jouw handelen.

Tekst: fragment van Psalm 73, uit:
Norman Fischer: Zen-inspired translations of the Psalms.
New York 2002, p. 94

◄║►

ROEP OM HULP

Overdag roept mijn stem aan je einders
‘s nachts kom ik naakt voor je staan
moge mijn gebed jou nu roeren
hoor hoe ik me tot je richt

mijn hart weegt zwaar van het lijden
één langgerekte dood is mijn bestaan
krachteloos als zij die aan het eind zijn
dool ik tussen de gestorvenen
als een lijk, vermoord, miskend, vergeten
in zijn bloei gekeeld door jouw hand

jij liet me zinken naar de bodem
in duistere sfeer, ten diepste bedrukkend
je ranselt me hier met je furie
beukt me met jouw vloed

al mijn vrienden joeg je heen
je deed hen stuiven als was ik vergif
nu ben ik gevangen, geknoopt, verkrampt

bijtend zuur kwelt mijn ogen
geen dag dat ik niet om je roep
uur na uur hef ik mijn handen naar jou

zul je wonderen voor de doden verrichten
zullen de overledenen opstaan en je danken
zullen zij hun mond openen, je goedheid beamen
kan men in dit duister jouw wonderen zien
kan men jouw liefde onthouden hier
in dit oord van eindeloos vergeten

nog luider roep ik daarom, doordringender
wijd ik mijn hart aan het ochtendgebed
waarom verwerp je mijn ziel
waarom verberg je je aangezicht

een leven lang al verteert me de tijd
voortdurend vrat kwelling aan mij
ik verdroeg je machtige gruwelen
maar radeloos maakt het mijn geest

het vuur van je woede raast over mijn lichaam
aldoor beproeven mij jouw verschrikkingen
dagelijks zwermen ze in en rondom me
omspoelen mij, zuigen me neerwaarts
zodat ik naar adem snak

alle gezelschap heb jij me ontnomen
het licht in de blik van geliefden en vrienden
is blijvend gedoofd.

Tekst: psalm 88, uit:
Norman Fischer: Zen-inspired translations of the Psalms.
New York 2002, p. 109

◄║►

Rilke

DE DICHTER

Tijd neemt afstand
ijlend slaat zij diepe wond
dag en nacht zocht ik eenzaam
waar woord zijn herkomst vond

geen lief geen onderdak
geen werk brengt mij tot leven
alles waar ik me aan schenk
toont mij voltooider weergegeven.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 38.

◄║►

LIEFDESLIED

Hoe wend ik mijn ziel
om jou niet te raken
hoe til ik haar over
jou heen naar de rest

waar vind ik de plek
in vreemdste omgeving
die niet wordt geroerd
door jouw dieper bestaan

als de strijkstok twee snaren
zingt versmelting
één stem

op welk instrument
tovert wie dit
huidloze deinen?

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 52.

◄║►

GLORIEUZE BOEDDHA

Midden van elk midden, kern aller kernen
steeds krachtiger zoetheidsamandel
tot aan de sterrengrens is dit alles
jouw vruchtvlees dat ik groet

kostelijk hoe niets meer kleeft
in jouw oneindigheid hoe
de bron stroomt en jou vult
en laat schitteren buiten

het licht van alle zonnen
die in gulste gloed jou sieren
terwijl van binnen reeds verstilt
wat glans en grauw overstijgt.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 60.

◄║►

KLAAGZANG

Wie hoort hart jouw droefheid
nu jouw weg steeds omzichtiger
leidt door onpeilbare mensen
vergeefser nog naarmate het koerst
op toekomst die verging

al eerder viel jouw klacht
als een vroegrijpe jubelvrucht
blijkt breekbaar juist de jubelboom
nu in het stormen kraakt
dit trage pronkstuk

van innerlijke weidsheid
waarin ooit mij onzichtbaar
engelen vergezelden.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 79.

◄║►

GEEF MIJ O AARDE

Geef mij o aarde de pure
klank van tranenkruik
laat het wenen zich vergieten
zolang mijn hart verhardt

ooit zo gezuiverd mag dit vat
zijn oude droesem lossen en
weigeren wat vergaat want weet
volmaaktheid slechts bestaat.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 190.

◄║►

O ROOS

O roos, puur mysterie
van levend verlangen
achter zovele wimpers
niemand tot rust te zijn.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 192.

◄║►

JIJ LAATSTE

Kom maar, jij laatste die ik erken,
heilloze pijn in dit vleselijk weefsel:
zie, het vuur waarmee ik mijn geest verteerde
brandt in jou; lang verzette zich het hout
tegen meegaan met de vlam die jij schiet,
nu echter voed ik jou en brand in jou.
Mijn mildheid hier wordt in jouw woeden
een woede van vreemdste hel.
Heel puur, heel onbekommerd vrij van toekomst
beklom ik de van lijden ontregelde brandstapel,
om er niets komends te vergaren
voor dit hart van voorraden geledigd.
Ben ik het nog, in dit onkenbare branden?
Herinneringen sleur ik niet naar binnen.
O leven, leven: ruimte zijn.
En ik in lichterlaaie. Niemand die mij kent.

[Laat los. Dit is niet zoals ziekte was –
ooit in de kindertijd. Oponthoud. Aanleiding
tot groter worden. Alles riep en roerde zich.
Meng niets hierin van wat jou jong verbaasde.]

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 198 (doodsgedicht)

◄║►

Divers

MIJN HART WAKKERT

William Carlos Williams

Mijn hart wakkert
bij de gedachte jou nieuws te brengen
omtrent iets
dat jou aangaat
en dat vele mensen aangaat. Kijk
wat men voor nieuw verslijt.
Daar zul je het niet vinden, maar in
gedichten die men minacht.
Het is moeilijk
nieuws te halen uit gedichten
maar dagelijks sterven mensen in ellende
uit gemis
aan wat zij bieden.

David Whyte: The Heart Aroused.
New York 1994

◄║►

DORST

Emily Dickinson

Eerst lijden we dorst – wet der natuur;
en later, als we gaan,
verlangen we naar water
uit vingers’ zachte kraan

hier schuilt een liefdevol gemis,
waaraan ten antwoord ligt bereid
het grote water in het Westen,
genaamd onsterfelijkheid.

Collected Poems of Emily Dickinson.
New York 1982

◄║►

HIJ

Emily Dickinson

Hij liet mij nieuwe Hoogten zien –
“Klim je?” zei Hij
En ik zei “Nee” –
“Met mij -” zei Hij – “Met mij?”

Hij liet geheimen zien – Jong Nest –
De Lijn waarlangs de Nacht aanglijdt –
“En nu, Wil je me nu als Gast?”
“Ja” zeggen kon ik niet –

En toen – brak Hij Zijn Leven – Zie,
Licht gloorde, plechtig voor mij omhoog –
Vaster, hoe verder weg ik ‘t zag –
En kon ik langer “Nee”?

Gedichten, deel I.
Amsterdam 2005

◄║►

LIEFDE NA DE LIEFDE

Derek Walcott

Het moment zal komen dat je, opgelucht,
jezelf zult begroeten als je aankomt
bij je eigen deur, in je eigen spiegel,
en dat beiden glimlachen ter verwelkoming van de ander,

en ze zullen zeggen, ga zitten. Eet.
Je zult weer liefde voelen voor de vreemde die jouw zelf was.
Schenk wijn. Schenk voedsel. Schenk je hart zichzelf
terug, de vreemdeling die jou beminde

je leven lang, die jij niet zag
vanwege een ander, maar die jou kent in elke vezel.
Haal de liefdesbrieven uit de boekenkast,

de foto’s, de wanhopige schrijfsels,
krab je zelfbeeld van de spiegel.
Ga zitten. Vier jouw leven.

Bron: Whyte, D.: The heart aroused.
New York 1994

◄║►

VOLMAAKTHEID

Vergetend het geschapene
gewaar zijn de schepper

oog voor het innerlijk
minnend je lief.

Joannes van het Kruis: Mystieke werken.
Gent 1992, p. 250

◄║►

HAND

Ik open mijn hand –
alles verdwijnt.

Ik zag in de slangenkop
het gezicht van mijn dode moeder,

in haveloze wolken
het leed van mijn dode vader.

Een knip met mijn vingers –
de tijd is verdwenen.

Mijn hand is het universum,
alles is mogelijk.

Shinkichi Takahashi, in:
Zen Poetry. Harmondsworth, 1981

◄║►

REGEN

Het blijft regenen,
Zelfs in dromen.
De schedel is ernstig lek.

Het drupt voortdurend
Langs de rug.
Niemand weet meer

Wanneer het begon.
Het blijft regenen,
Zelfs op de mooiste dagen.

Takahashi/Stryk: Triumph of the sparrow.
Chicago 1986, p. 62

◄║►

MAAN

De maan schijnt en miljarden
kadavers rotten
onder de aardkorst.
Ik, die uit hen oprijs
ga hen binnenkort vergezellen – allen.
Waar drijft de maan?
Op de golven van mijn geest.

Takahashi/Stryk: Triumph of the sparrow.
Chicago 1986, p. 141

◄║►

ZELFPORTRET

Hij wordt steeds ouder. De kleding versleten. Hij leest veel, af en toe gaat hij op
in boeken zoals indianen in de ondoordringbare jungle. Hij valt in herhaling,
alles herhaalt zich, het gele notitieboekje in de zak, de machtige stem van muziek.
‘s Avonds gaat hij in zijn verkreukeld hemd voor het raam staan, gaapt.
Op elke foto ziet hij er iets anders uit – het gezicht van zijn vader breekt door in het zijne, licht melancholisch; de korte witte baard betekent volgens zijn tegenstanders niets minder dan capitulatie.
Hoopvol kijken de ogen in de sluiter. Hij wordt ouder.

Hij houdt van water, slaperige stromen door de vlakte en de groene oceaan; wanneer hij zwemt, zinkt zijn lichaam in de donkere vloed, als wilde hij een andere bestaansvorm testen.
De wind beneemt hem de adem, de nacht geeft absolute rust terug
(het enig absolute dat we bezitten, zegt spottend een bekende, met wie hij al tientallen jaren verbeten strijd levert).
Hij is burger, denkt aan zijn gewonde land,
aan de tuin der kinderjaren, die er nooit was.

Hij reist veel – april in Belgrado, pokken van de laatste oorlog,
de gezwollen Donau heeft weet van de zorgeloze jeugd in Duitsland,
in mei Jerusalem, ook hier sporen van oorlog, en desondanks hangt er heiligheid
over de legendarische stad als de geur van magnolia’s,
de vragen van de journaliste klinken wonderlijk vertrouwd.
De vervreemding neemt toe. Altijd hetzelfde: een vast ontbijt, na het middageten
een lange wandeling. Geleidelijk verwordt hij tot een roerloos object.
Dromen brengen hem naar het onderaardse, de ochtend weet hem vaardig te bevrijden.

Maar dit toch ben ik, nog steeds ik, de eeuwig zoekende en gedaanteloze, altijd nog ik, elke ochtend slaat
een nieuw hoofdstuk open en weet geen eind daaraan te maken, dat ben ik
op straat, bij het station, ik, die het kind hoor huilen, die het geschater van de studenten hoor,
het fluiten van de spreeuw, ik – onwetendheid, ik – onzekerheid, ik – verlangen,
verwachting en wilde vreugde, ik, die er niets van begrijp,
die reageer op provocaties, die betwijfel, weer van voren af aan probeer te beginnen,
die me verstop in het gesprek, in de wanhoop, van de academische discussie,

in de stilte van de winterdag, ik – verveeld, berustend,
ongelukkig, arrogant, ik – in dromen verzonken
als een twaalfjarige, doodmoe als een grijsaard,
ik – in het museum, aan zee, op de markt in Krakau,
hunkerend naar het moment, dat maar niet beginnen wil, dat zich schuilhoudt
als bergen op een bewolkte namiddag, uiteindelijk komt
helderheid, en ik weet plotseling alles, weet – dit ben ik niet.

Adam Zagajewsky: Unsichtbare Hand; Gedichte.
München 2012, p. 129

◄║►

MODERNE POËZIE

Het gedicht van de geest die bezig is te onderzoeken
Wat zal volstaan. Niet altijd heeft het iets moeten
Vinden: de locatie stond vast; er werd herhaald
Wat het scenario zei.
­­                                   Vervolgens transformeerde het theater
In iets anders. Zijn verleden was een souvenir.

Levend moet het zijn, wil het de taal van de plek leren,
De mannen van het moment moet het tegemoet treden en
De vrouwen van het moment ontmoeten. Het moet nadenken over oorlog
En onderzoeken wat zal volstaan. Het moet
Een nieuw podium bouwen. Op dat podium moet het staan
En als een gulzige acteur, in alle rust en
Bewustheid, woorden spreken die in het oor,
In het uiterst gevoelig oor van de geest, herhalen,
Zorgvuldig, dat wat het wil horen, een geluid
Waarnaar niet waarneembare toehoorders luisteren,
Niet naar het verhaal, maar naar zichzelf, uitgedrukt
In een beleving als van twee mensen, als van twee
Belevingen die één worden. De acteur is
Een wijze filosoof in het verborgene, bespelend
Een instrument, bespelend een veerkrachtige snaar die passerende geluiden
Plotse kloppendheden schenkt, volledig omvattend
De geest, waaronder het niet kan afdalen,
Waarboven het zich geen uitstijgen wenst.
­­                                                                        Het moet zijn
Een ontdekken van volheid, en kan zijn
Een man die rolschaatst, een vrouw die danst, een vrouw
Zich kammend. Het gedicht van de bezigheid die geest heet.

Stevens, Wallace: Collected poetry and prose.
New York 1997, p. 218

◄║►

LOUTER ZIJN

De palm aan het einde van de geest,
voorbij de laatste gedachte, verrijst
in het bronzen decor.

Een goudgevederde vogel
zingt in de palm, zonder menselijke zin,
zonder menselijk gevoel, een uitheems lied.

Je weet dan dat het niet het denken is
dat ons gelukkig maakt of ongelukkig.
De vogel zingt. Zijn veren schitteren.

De palm staat aan de rand van de ruimte.
De wind beweegt zacht door de takken.
De vlammende veren van de vogel wiegen traag omlaag.

Stevens, Wallace: Collected poetry and prose.
New York 1997, p. 476

◄║►

DE GESCHIEDENIS VAN WAARHEID

In een toen waar leven gelijkstond aan geloven,
was waarheid van het vele betrouwbaars het hoogst,
meer basaal, meer aanwezig, dan een gevleugelde leeuw,
een vissenstaarthond of adelaarskopvis, en
laagst nog wij stervelingen, wier dood argwaan wekt.

Waarheid stond model voor het dagelijks bouwen
aan een wereld van dingen die men blijvend gelooft,
zonder te geloven dat kruiken en verhalen,
zuilen en gezang, waar of onwaar zouden zijn:
waarheid voldeed al om waar te zijn.

Dezer dagen waar, praktisch als papierservies,
waarheid wordt vertaald in kilowatt,
moderniseren we dit ambacht tot anti-model,
een onware kreet die elk kind kan weerleggen,
een niets waarvan niemand het bestaan hoeft te geloven. .

Auden, W. H.: Collected poems.
London 2007, p. 608

◄║►

AAN JOU

Wie jij ook bent, ik vrees dat je de paden van het droomdomein bewandelt,
Ik vrees dat deze veronderstelde realiteiten onder je voeten en handen vandaan zullen brokkelen,
Zelfs nu al ontvallen jou je kenmerken, je vreugdes, spraak, woonplaats, beroep, gewoontes, moeites, dwaasheden, opsmuk en wandaad,
Je ware aard en lichaam tonen zich mij,
Zij treden naar voren uit bezigheden, uit handel, winkels, arbeid, landbouw, aankleding, onderhoud, kopen, verkopen, eten, drinken, lijden, sterven.

Wie je ook bent, laat me nu mijn hand op je leggen, zodat jij mijn gedicht kunt zijn,
Ik fluister met mijn lippen dicht bij jouw oor,
Ik heb vele vrouwen en mannen bemind, maar er is niemand die ik meer bemin dan jou.

O, ik ben laks en nalatig geweest,
Ik had lang geleden al jou moeten bereiken,
Ik had moeten keuvelen over niets anders dan jou, niets dan jou had ik moeten zingen.

Ik zal alles verlaten en jou een loflied komen zingen,
Niemand heeft jou nog begrepen, maar ik begrijp je,
Niemand heeft jou recht gedaan, je hebt jezelf geen recht gedaan,
Eenieder vond jou onvolmaakt, enkel ik vind geen onvolmaaktheid in jou,
Eenieder zag in jou een ondergeschikte, enkel ik ben degene die in jou geen ondergeschiktheid zal dulden,
Ik alleen ben degene die geen meester plaatst boven jou, geen eigenaar, superieur, God, niets hogers dan wat intrinsiek sluimert in jezelf.

Schilders schilderden die volle bijeenkomsten met daarbinnen een centrale figuur,
Zijn hoofd spreidt een gloed van goudkleurig licht,
Maar ik schilder ontelbare hoofden, en elk van die hoofden heeft zijn krans van goudkleurig licht,
Het stroomt uit mijn hand, uit het brein van elke man en vrouw als een eeuwig stralende vloed.

O, wat een grootsheid en glorie zou ik over jou kunnen zingen!
Jij hebt nooit geweten wat je bent, een leven lang sluimerde jij op jezelf,
Je oogleden waren meestentijds vrijwel gesloten,
Al wat je gedaan hebt komt nu bij je terug als karikatuur,
(Je beleid, kennis, gebeden, komen zij niet terug als karikaturen, wat is dan hun terugkomst?)

De karikaturen zijn niet wat jij bent,
Ik zie hoe daaronder en daarbinnen jij je schuilhoudt,
Ik volg je zoals geen ander jou ooit heeft gevolgd,
Stilte, de tafel, de kwinkslag, de nacht, de gevestigde routine, zij mogen jou voor anderen verbergen maar voor mij verbergen ze jou niet,
Het gladde gelaat, de onvaste blik, de vale huid, zij mogen anderen doen wijken maar ik wijk er niet van,
De vrijpostige tooi, de gekunstelde houding, dronkenschap, hebzucht, een voortijdige dood, dit alles schuif ik terzijde.

Er is geen rijkdom in man of vrouw die niet in jou ligt opgeslagen,
Er is geen deugd, geen schoonheid in man of vrouw die niet even goed is als de jouwe,
Geen moed, geen volharding in anderen, of hij is net zo goed als de jouwe,
Geen vreugde die anderen toekomt, of eenzelfde vreugde wacht jou.

Wat mij aangaat, ik geef niemand ook maar iets zolang ik niet bewust jou hetzelfde geef,
Ik zing de liederen van geen mens of God zolang ik mijn lofliederen op jou niet heb gezongen.

Wie jij ook bent! Wat er ook gebeurt, eis jezelf op!
Dat opzichtig theater van Oost of West is maar een tamme onderneming vergeleken met jou,
Deze immense velden, deze eindeloze rivieren, je bent even immens en eindeloos als zij,
Deze furie van elementen, stromen, natuurkrachten, stuiptrekkingen van een onmiskenbaar vergaan, jij bent degene die er de baas of bazin van is,
Baas of bazin op eigen gezag over natuur, elementen, pijn, passie, vergaan.

De ketenen vallen van je enkels, je ontdekt een voorgoed voorzien zijn,
Oud of jong, man of vrouw, rauw, onontwikkeld, afgewezen door de rest, al wat jij bent neemt vorm aan,
Geboorte, leven, dood, begrafenis leveren de juiste middelen, niets wordt verkwist,
Door woede, tegenslagen, ambitie, onkunde, ergernis, baant wat jij bent zich een pad.

Whitman, Walt: Complete Poetry and Collected Prose.
Washington 1982, p. 375

◄║►