Klunswaardig

Een goed woordje voor wonderlijkheid

Het meldt zich op vele manieren
in mijn morsig bestaan
uit tijdloze werking is de taal ervan
aanjager van hartsrust

elke omzwerving spiraalt retour
richting het opvangbekken waar
tweevoudig de kracht pulseert
van absorptie en begenadiging

je kunt hier maar beter leren
eerder ruimer grondiger nog leren
luchtledig je zinnen te bespelen
en je lijf ook sukkelaar

ja ik ben en wil worden een
vaardiger vertolker van deze zang
zijn gangen en wendingen speurend
zonder kleverig doel of komaf

onderricht mij deze finale kunst
je te nestelen in verre cellen
waar zelfs uitgewoonde vorsten
verzadigt hun diepste drijfveer

alleen zo zal schijn van menszijn
zich nalatig en mislukkend
blijvend gaan manifesteren als
onze meest wonderlijke aard.

Bron: reeks Barstens/Oersteen
Voor meer poëzie-audio, zie de podcast Vuurvocht

◄║►

Oude kreek

Er is niemand die zich herinnert
hoe deze helderheid ontstond,
met zijn sprankelende zilverglans;

al dringt het maanlicht hierin door
en tekent de wind er zijn rimpelingen,
geen spoor van beide blijft bestaan.

Ik zou het niet wagen vandaag
het geheim te openbaren
van de stroombedding,

maar wat ik je vertellen kan
is dat de blauwe draak
daar ligt genesteld.

Gedicht van zenleraar Muso Soseki (1275-1351).
Uit de reeks: Vertalingen / Kluizenaars

◄║►

De sprankelfactor

Je valt uiteen
in canonieke bedrijvigheid
adem weigert
de deining van gedroom

het gulle wijsheidspaviljoen
laat niets meer ongemoeid
in haar glaslichtgloed
implodeert mijn geboorte

terzijde staat de dood
versteld over waarom hij
zo braafjes moet bestrijden
zijn smurrie van illusie

maar de dans alweer
gaande toch keert
ieders kansen indachtig
alle partners vonkvrij verwoest.

Uit: Oersteen / Barstens


◄║►

Brom

De levenszon leert
zacht ons te stralen
zachter steeds
minder onachtzaam
steeds dieper doordrongen

terwijl feitelijkheden
elk opnieuw tonen
de voor- en achterzijde
van hun kleefkunst
neigend dreigend bedrieglijk

schilferen betrouwbare vlokken
uit de vergane huid van
mijn oude leraar zo
dat biologisch achterhaald
mij zijn geur alsnog bereikt

vreemd hoe de dagen
vluchtig verbeeld
vervagen zich sluiten
de ogen en wissen
voltallig belang

afscheid is toescheid
wist jij verrassend mij
het lied van vervulling
te zingen dat ademdansend
oceanisch wij delen

zachtjes in en om
en door mij bromt
jouw vreugdeskracht
verwarmend het majestueuze
hart dat wij zijn.

Uit: Dharmium/Smeltspel


◄║►

Van waarde

Jij eeuwigheidsoog ziet
en zag me nooit vergeefs
moeiteloos vernam jij van
mijn existentieel gestommel

terwijl jouw glans zich verjongt
op bevreugdende afroep tot
steun te zijn ieder mens
grondig behoed en bemoedigd

of berooid en verslagen zoals
ik nietig restje waardigheid
onlangs zonk op het wit fluweel
van een archaïsche vulkaanvloer

waar boeddha’s kolken en
in rauw beleven bevrijdend
lichaam op lichaam niemand
ontzien, beseffend

de werkelijkheidsbries die berispt
jonge pelgrims om hun falende
toegang en de loze weelde
van prematuur gedroom

bleek ook ik zo’n dolende vlok
zoon van mythisch sliertenvolk
gelokt door etherische geuren
van echtheid – ons allen toch

beweegt hardnekkig schurend
eelt van misvatting en onmacht
omdat uit grondiger opdracht jij
oog, weigert vliesloos te opereren

leid op zijn minst in kosmisch welkom
ons alvast door je toetsingstraject
met zijn kansrijke toevlucht
en eindeloos veeleisender visie

opdat ooit jouw vredige hartstocht
blijvend geneest het geestbezwendelend
wondvlees en nooit immenser zich
welk mens dan ook waardeert.

Uit de reeks: oersteen/barstens


◄║►

Energie (Gerrit Achterberg)

foto van gerrit achterberg
Gerrit Achterberg, 1905-1962

Het vuur, waarin gij nu verkeert,
verwarmt mijn voeten, ik bezin
mij op het feit hoe onverteerd
gij nu geworden zijt tot in
uwe verkolingen, hoe on-
ophoudelijk deze reis begon
door de stofwisseling — en zal
kleiner dan een bekend getal
uw wezen zijn of groter dan
de som van alle, uw bestaan
is onuitwisbaar in de brand
der wereld die de and’re kant
van ademhalen is, de mens
verlaat zichzelf tot aan zijn grens
en wordt zijn eigen energie,
zonder te weten wat of wie
hij voedsel werd en levensbron,
maar in dit zingen slaat gij om
en gij vergeestelijkt tot vorm,
die triomfeert over de worm.

Bron: Achterberg, Gerrit: Verzamelde gedichten. Amsterdam 1967, p. 463
Foto: Wikipedia

◄║►